Actua

  1. Waarom zijn niet‑genoteerde aandelen zo lastig te waarderen?

Wanneer iemand overlijdt en er zitten niet‑beursgenoteerde aandelen in de nalatenschap, moet voor de aangifte van nalatenschap een waarde op deze aandelen worden geplakt.  
De wet zegt wél dat men moet waarderen op de dag van het overlijden, maar niet hóé die waardering precies moet gebeuren.  
Daardoor is men aangewezen op rechtspraak en administratieve praktijk, en net daar ontstaan vaak discussies met de fiscus.    

  1. Twee klassieke methoden: intrinsieke waarde en rendementswaarde

In de praktijk worden vooral twee methoden gebruikt.    

  • Intrinsieke waarde: men vertrekt van de activa, trekt de schulden aan derden en reeds uitgekeerde dividenden af en komt zo tot een “nettovermogen”.
    Deze methode past goed bij vennootschappen met tastbare goederen (bv. vastgoedvennootschappen), maar minder bij ondernemingen die vooral draaien op de persoon van de zaakvoerder (bv. een elektricien met veel knowhow).    
  • Rendementswaarde: men neemt het gemiddelde van de dividenden van de laatste jaren en kapitaliseert dit aan een bepaalde interestvoet.
    Deze methode geeft vaak een realistischer beeld van de winstgevendheid, maar is moeilijk toepasbaar als er weinig of geen dividenden worden uitgekeerd.  

Daarnaast wordt ook gewerkt met multiples, bijvoorbeeld een waardering volgens “5 × EBITDA”, wat vergelijkbaar is met de rendementsbenadering maar ook kan worden gebruikt als er geen dividendpolitiek is.    

Omdat geen enkele methode op zichzelf een volledig beeld geeft, is het in de praktijk gebruikelijk verschillende methoden te combineren en daar een (eventueel gewogen) gemiddelde van te nemen.    

  1. Factoren en veronderstellingen: waar kijkt de fiscus naar?

Bij de waardering mag rekening worden gehouden met factoren zoals:    

  • de beperkte overdraagbaarheid van de aandelen;   
  • de algemene economische situatie;   
  • de groeivooruitzichten en de concurrentiedruk in de sector.

Die elementen mogen echter niet dienen om de waarde kunstmatig te drukken.  
Een goede motivering is cruciaal om belastingverhogingen en boetes wegens onderschatting te vermijden.    

De fiscus mag zelf ook bepaalde veronderstellingen maken.  
Zo wordt bijvoorbeeld vaak uitgegaan van de hypothese dat de onderneming na het overlijden gewoon blijft voortbestaan.      
De belastingplichtige die een lagere waardering wil verdedigen (bv. door zware latente meerwaardebelastingen in rekening te brengen), moet aantonen dat die veronderstellingen niet realistisch zijn – wat in de praktijk niet eenvoudig is.    

  1. Going‑concern als uitgangspunt

In de rechtspraak zien we dat de administratie een vennootschap meestal waardeert op haar going‑concernwaarde, en niet op de lagere liquidatiewaarde.  
Pas wanneer er sterke aanwijzingen zijn dat de vennootschap na het overlijden effectief zal worden stopgezet en ontbonden, komt een waardering op basis van de liquidatiewaarde in beeld.    

  1. Praktische boodschap voor cliënten

Voor ondernemers en hun erfgenamen betekent dit dat een doordachte voorbereiding essentieel is:    

  • tijdig nadenken over de opvolging van de onderneming;   
  • documenteren welke waarderingsmethode(n) worden gebruikt en waarom;   
  • alle relevante factoren zorgvuldig motiveren om discussies met de fiscus te beperken.

Wie geconfronteerd wordt met een nalatenschap waarin niet‑genoteerde aandelen zitten, kan zich altijd richten tot onze experten.