Over B&R  |  Activiteiten  |  Jobs  |  Contact

Minimale bezoldiging bedrijfsleider

Zoals reeds opgemerkt in onze eerdere berichten (o.a. onze nieuwsbrief van september 2017) werd in het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting een minimale bezoldiging (vergelijkbaar met het Nederlandse gebruikelijk loon) geïntroduceerd.

Naar aanleiding van opmerking van de Raad van State m.b.t. de ontwerpteksten werden de regels bijgestuurd. Hieronder een samenvatting en update.

1. Algemeen

Vanaf aanslagjaar 2019 moeten vennootschappen een minimale bezoldiging aan een bedrijfsleider-natuurlijke persoon toekennen. Doen zij dit niet, wordt een sanctie, in de vorm van een afzonderlijke heffing, toegepast.
De afzonderlijke heffing, 5% voor aanslagjaren 2019 en 2020 en 10% vanaf aanslagjaar 2021, wordt aangerekend op het verschil tussen de vereiste minimale bezoldiging en de effectief toegekende bezoldiging.

Een voorbeeld


Stel een vennootschap met één bedrijfsleider (natuurlijk persoon) had een minimale bezoldiging ad. 45.000 EUR moeten toekennen maar kende slechts een bezoldiging ad. 25.000 EUR toe. De afzonderlijke heffing zal verschuldigd zijn op het verschil tussen de vereiste minimale bezoldiging (45.000 EUR) en de effectief toegekende bezoldiging (25.000 EUR), m.a.w. op 20.000 EUR (= 45.000 – 25.000).

Uitzonderingen op de vereiste van minimale bezoldiging:


- Voor kleine vennootschappen zal gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf hun oprichting geen sanctie opgelegd worden
- In geval van een beperkt resultaat kan de vereiste minimale bezoldiging lager zijn dan 45.000 EUR (cfr. punt 2)
- Voor verbonden vennootschappen kunnen de gezamenlijke bezoldigingen worden getoetst t.a.v. een verhoogde drempel (cfr. punt 3)
- Voor erkende coöperatieve vennootschappen (deze uitzondering werkt ook door voor de toepassing van het verlaagd tarief Ven.B.

2. Beperkt resultaat

De minimumbezoldigingsvereiste stelt dat om de sanctie te vermijden aan de bedrijfsleider natuurlijke persoon een bezoldiging moet worden toegekend van ofwel:
1) 45.000 EUR;
ofwel
2) Een bedrag dat minstens gelijk is aan de helft van het belastbaar resultaat voor aftrek van de bezoldiging

Uit het bovenvermelde volgt dat zodra het belastbaar resultaat van een vennootschap (voor aftrek van de bezoldiging) 90.000 EUR bedraagt er steeds rekening gehouden moet worden met een minimum bezoldiging van 45.000 EUR. Heeft de vennootschap een lager belastbaar resultaat (voor aftrek van de bezoldiging) dan zal een lagere minimum bezoldiging volstaan.

AANDACHTSPUNT/

De toegekende bezoldiging wordt steeds vergeleken met het uiteindelijk belastbaar resultaat. Het toekennen van een bezoldiging die net volstaat om de sanctie te vermijden bevat dan ook een risico. Indien n.a.v. een controle het belastbaar resultaat hoger zou liggen dan het bedrag waarmee rekening werd gehouden om het bedrag aan toe te kennen bezoldiging te berekenen (bv.: verwerping van kosten ten gevolge van een fiscale controle) zal de sanctie alsnog opgelegd worden en zal, indien dit werd toegepast, ook het verlaagd tarief verloren gaan.

3. Verbonden vennootschappen

Volgens het huidige artikel (art. 219 quinquies, §6 WIB) kunnen de door verbonden vennootschappen, waarvan de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van de betrokken vennootschappen, aan een van diezelfde personen gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het drempelbedrag van de minimale bezoldiging is in dat geval 75.000 EUR. 

Het feit dat artikel 219 quinquies, §6 WIB stelt dat de drempel in hoofde van verbonden vennootschappen gezamenlijk beschouwd kan worden betekent dat dit een optie maar geen verplichting is. Indien een individuele toepassing van de 45.000 EUR grens fiscaal voordeliger uitkomt kan hiervoor bijgevolg perfect geopteerd worden. Een eventueel tekort wordt in dat geval wel op niveau van elke individuele vennootschap bestraft (i.p.v. op het niveau van de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat).

 

 

C1JFER5 ALLEEN VOL5TAAN N1ET