Over B&R  |  Activiteiten  |  Jobs  |  Contact

Bijklussen - definitieve fiscale regels 

 

In een wet van 18 juli 2018 werden de definitieve fiscale regels inzake zgn. verenigingswerk (diensten in het verenigingsleven) en occasionele diensten tussen burgers vastgesteld op basis waarvan, mits bepaalde voorwaarden voldaan zijn, het inkomen (indien dit niet hoger is dan 6.130 EUR op jaarbasis) is vrijgesteld.
Het stelsel van deeleconomie werd tevens in deze wet geïntegreerd waardoor de afzonderlijke belasting (20%) voor dergelijke inkomsten verdwijnt.



1. Verenigingswerk

In principe kan men slechts als verenigingswerker diensten leveren indien men gewoonlijk en hoofdzakelijk een beroepsactiviteit uitoefent (gepensioneerden en sommige werklozen komen ook in aanmerking). Concreet is vereist dat men een voltijdse beroepsactiviteit als werknemer (minstens 4/5de tewerkstelling) of als zelfstandige (hoofdberoep) uitoefent.
Ter beoordeling van deze voorwaarde wordt gekeken naar het referentiekwartaal T-3 dat aan het begin van de tewerkstelling als verenigingswerker voorafgaat.
De wet voorziet in een limitatieve lijst van activiteiten die in aanmerking komen voor de vrijstelling. Een overzicht hiervan bezorgen wij op eerste verzoek.

 

2. Occasionele diensten tussen burgers

De wet van 18 juli 2018 stelt voorwaarden voor wie als een occasionele dienstverrichter gekwalificeerd worden wil.
Het moet gaan om een natuurlijke persoon die;
- een beroepsactiviteit heeft (of gepensioneerd is) waarbij een andere activiteit wordt uitgeoefend dan diegene van de ‘occasionele diensten’,
- een activiteit uitoefent zoals bepaald in de limitatieve lijst vervat in de wet,
- voorgenoemde activiteit niet zelfstandig verricht en geen daden van oneerlijke concurrentie verricht of daaraan meewerkt ten opzichte van de werkgever of de werkgevers waarbij hij tewerkgesteld is.

 

3. Begrensd vrijgesteld bedrag en sancties bij overschrijding

 

Het jaarlijkse bedrag mag niet hoger zijn dan 6.130,00 EUR (rekening houdend met het indexniveau voor het aanslagjaar 2019).
In de definitieve tekst is ook een globaal maandbedrag vastgesteld. Dit globaal maandbedrag is 1/12 van het jaarlijkse bedrag (m.a.w. 510,83 EUR).

Bij overschrijding van de jaargrens m.b.t. het verenigingswerk en occasionele diensten tussen burgers, dient er een onderscheid gemaakt te worden naargelang de sanctie op sociaal en fiscaal vlak.
Enerzijds zal op sociaal vlak de overeenkomst m.b.t. verenigingswerk met terugwerkende kracht geherkwalificeerd worden tot een arbeidsovereenkomst, zodanig dat deze overeenkomst volledige onderhevig is aan het arbeids- en sociale zekerheidsrecht. Wanneer de jaargrens m.b.t occasionele diensten wordt overschreden zal de betrokken persoon niet als occasionele dienstenverrichter voor het volledige kalenderjaar en het daaropvolgende kalenderjaar worden beschouwd maar zullen de prestaties vermoed verricht te zijn onder het statuut der zelfstandigen.
Anderzijds kan op fiscaal vlak daarentegen tegenbewijs van de beroepsinkomsten worden geleverd. Wanneer het fiscaal tegenbewijs wordt aanvaard, zullen de inkomsten gekwalificeerd worden als ‘divers’ en belastbaar zijn tegen 33%.

Bij overschrijding van de maandgrens m.b.t. het verenigingswerk en occasionele diensten tussen burgers is de sanctie identiek. Sociaal en fiscaal zal het ontvangen inkomen dan worden beschouwd als beroepsinkomen. Bovendien zal het overschreden bedrag nog steeds in ogenschouw worden genomen bij de beoordeling van het maximale jaarbedrag. Noch fiscaal, noch sociaal bestaat er de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren wanneer de maandgrens wordt overschreden.

4. Inwerkingtreding

Het fiscaal aspect van de wetgeving is in werking getreden op 1 januari 2018. Het sociaal aspect van de wetgeving is in werking getreden op 20 februari 2018 (met uitzondering voor sommige activiteiten en diensten die pas met ingang van 1 juli 2018 met toepassing van het sociaal luik van de nieuwe regelgeving kunnen worden uitgeoefend).


5. Geplande wijzigingen - nieuw wetsvoorstel

 

In een nieuw wetsvoorstel worden al enkele wijzigingen aan de huidige regelgeving voorgesteld, waarbij de voornaamste de volgende zijn:

- Invoering van de mogelijkheid om voor ‘inkomsten uit specifieke categorieën van het verenigingswerk’ in een hogere maandgrens te voorzien (meer dan 1/12 jaargrens, maar nooit hoger dan 1/6 van de maximale jaargrens). Deze bevoegdheid zal toekomen aan de Koning.
- Schrapping en herformulering van bepaalde activiteiten van de limitatieve lijsten voorzien in de wet.
- Uitbreiding van de uitzonderingen, naast o.a. gepensioneerden, op de regel dat het leveren van prestaties inzake vereniging niet toegestaan is indien de organisatie en de betrokken verengingswerker tijdens een periode van 1 jaar voorafgaand aan het begin van de prestaties inzake verenigingswerk door een arbeidsovereenkomst, een statutaire aanstelling of aannemingsovereenkomst waren verbonden voor wie kort gewerkt heeft voor bepaalde instanties, en die tewerkstelling krachtens de bestaande wetgeving buiten het toepassingsgebied van de RSZ-valt.

Indien het nieuw wetsvoorstel wordt goedgekeurd, zal dit voorstel in werking treden 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.

C1JFER5 ALLEEN VOL5TAAN N1ET